Bijensterfte

‘Dode Lente’ voor de honingbij ?

Varroamijt

De varroamijt

Er is in de pers het afgelopen jaar, en nog steeds, veel aandacht geweest voor bijensterfte, zowel nationaal als internationaal. Een verhitte welles-nietes discussie is ontstaan over de oorzaken van de toegenomen sterfte van bijenvolken.  Ligt het nu aan de varroamijt of ligt het aan een nieuw type bestrijdingsmiddel de zgn. neonicotinen? En is de honingbij wel in gevaar en zo ja wat is dan de consequentie voor de bestuiving van onze voedselgewassen ? En hoe kan het dat er nog volop honing te koop is en voor dezelfde prijs.

Er wordt wel een vergelijking gemaakt met de jaren zestig van de vorige eeuw, toen het boek ‘Dode Lente‘ van R. Carson (1) verscheen. De grote risico’s van het gebruik van o.a. DDT voor het milieu werden daarin beschreven en mede door dit boek is veel onderzoek naar biologische bestrijding op gang gekomen. De middelen zoals dimethoaat en parathion die vroeger nog royaal met de gifspuit toegepast werden zijn allang van de markt verdwenen. Toch blijven we afhankelijk van gewasbeschermingsmiddelen om voldoende voedsel voor de wereldbevolking te kunnen blijven produceren. Ik zal proberen een beeld te schetsen van de actuele situatie.

Neonicotinen

Door Dr. Ir. Kees van Heemert Oud-rijksbijenteeltconsulent en apidoloog

Momenteel speelt er een discussie tussen toxicologen en bijenonderzoekers over het effect op bijenvolken van een nieuwe soort insecticide: neonicotine. In Nederland zijn het vooral de onderzoekers van der Sluis en Tennekes (2) die bepleiten dat vooral neonicotinen, door gebruik in de landbouw, de sterfte van bijenvolken tot gevolg hebben. Door een tekort aan kennis bij deze onderzoekers over bijen en de impact van bijenziekten trekken ze de verkeerde conclusies. Ze kijken in het bijzonder naar de giftigheid in laboratoriumproeven en gaan voorbij aan de blootstelling van de bijen in het veld en hoe het volk daarop reageert. Neonicotinen zijn een nieuwe type van insecticiden die systemisch werken in de plant. Dat wil zeggen dat ze niet, zoals gewoonlijk, op het blad zitten maar in de weefsels van de plant zelf. Ze zijn inderdaad giftig voor honingbijen en krijgen het gif binnen via de nectar of het stuifmeel. Van belang zijn vooral de groep van imidacloprid, clothianidine en thiamethoxam die een factor 100-4.000 giftiger zijn dan de twee andere neonicotinen: acetamiprid en thiacloprid (3).  Dat honingbijen als volk anders reageren op stress en insecticiden is van groot belang bij het opzetten en interpreteren van proeven. Als voorbeeld werd door de Franse onderzoekers Henry et al. (4), die met vele anderen de neonicotinen aanwijzen als de belangrijkste veroorzaker van de sterfte van bijenvolken, een niet realistische veldproef met thiamethoxam uitgevoerd met een veel te hoge dosering van 67 microgram per liter. Als gevolg hiervan kwamen er 20 % van de bijen niet meer terug in de kast. Had men met een praktijk-dosering volgens het gebruiksvoorschrift gewerkt, wat neerkomt op 1 microgram per liter toegediende suikerwater, dan waren er geen negatieve effecten gemeten. Cresswell en Thomson (5) bekritiseerden het artikel met het argument dat er met een te laag geboortecijfer is gewerkt, i.e. dat er meer volwassen bijen per dag en per volk geboren worden dan verondersteld wordt. De Franse onderzoekers redeneerden teveel vanuit de gedachte van de bij als individu, terwijl bijen als een volk bestudeerd moeten worden. Een belangrijk aspect, dat in de publicatie van Oliver (6) genoemd wordt, is de biodegradatie van het insecticide in het bijenlichaam waardoor de giftigheid snel teruggebracht wordt voor het de zenuwbanen bereikt.

In verschillende landen worden neonicotinen op gewassen als aardappel, mais, suikerbiet en zonnebloem, maar ook in kassen, gebruikt tegen schadelijke insecten. Een voordeel van het gebruik van dit middel voor de boeren is dat het met een heel lage dosering via het zaad kan worden toegepast. Bij het opgroeien van de plant komt het insecticide in de gehele plant terecht en heeft daarmee een snelle werking. Een nadeel is echter dat het middel het oppervlaktewater verontreinigt en persistent is in het milieu en daar moet inderdaad een einde aan worden gemaakt door een aangepaste toelating.

Confrontatie

Toen er tien jaar geleden berichten uit Frankrijk kwamen dat imkers dode volken aantroffen die bij mais- en zonnebloemakkers hadden gestaan, werd de relatie tussen neonicotinen en bijensterfte gelegd. Er ontstond in verschillende landen heel veel commotie en zelfs door politieke bemoeienis werden bepaalde formuleringen uit de handel genomen omdat men het zgn. voorzorgprincipe ging hanteren. Echter, na verbod van de middelen in die landen bleef de abnormale sterfte (35 %) onder de bijen toch optreden, vooral na de winter. Voor verreweg de meeste bijenonderzoekers was duidelijk dat deze sterfte niet door het nieuwe bestrijdingsmiddel werd veroorzaakt, maar door varroamijten in combinatie met virussen. Dit wordt bijvoorbeeld ondersteund door het feit dat in gebieden zoals de Jura, waar nooit met neonicotinen is gewerkt, toch regelmatig tot wel een derde van de bijenvolken na de winter doodgingen, terwijl 10% verlies normaal is. Dit was vooral te wijten aan de onvoldoende bestrijding van de varroamijt.  Een ander voorbeeld is de situatie in Australië waar nog geen varroa is en waar wel neonicotinen in de landbouw gebruikt worden en er toch geen toename van de (normale) bijensterfte is geconstateerd.

Varroa

Al tientallen jaren hebben de bijenvolken van de soort Apis mellifera een ziekte die  veroorzaakt wordt door de varroamijt. Deze mijt, Varroa destructor, is afkomstig uit Azië en is nu vrijwel in alle landen in de wereld aanwezig. Als de imker onvoldoende bestrijding hiertegen uitvoert gaan er volken dood, in het ene land meer dan in het andere. Dit kan zelfs flinke vormen aannemen als de bijenvolken besmet raken met virussen die door de varroa als vector overgebracht worden. Dit zien we dan ook gebeuren met als gevolg dat de bijenhouderij alles in het werk moet stellen om de bijenstapel weer op te krikken. In een aantal gevallen lukt dit door goede bestrijding van de mijtziekte en door het fokken van meer bijenvolken o.a. door de zgn. koninginnenteelt. Maar als de bijenhouder of imker de bestrijding niet goed uitvoert door gebrek aan kennis of vanwege de kosten, want imkers zijn vaak zuinig, dan verliest hij volken door de varroa en bijkomende ziekten als virussen en nosema, een darmparasiet.

Ook door een recent UNEP milieurapport (7) van de Verenigde Naties wordt bevestigd dat de varroa de grootste bedreiging voor de bijenhouderij is en niet de pesticiden, hetgeen ook in het gezaghebbende tijdschrift Science (8) door Ratnicks et al. werd vastgesteld. Met de berichten van de toxicologen dat de neonicotinen de dood van bijenvolken tot gevolg hebben worden de bijenhouders momenteel gegijzeld en het leidt hun aandacht af van het bestrijden van de varroa, de ware oorzaak van de sterfte. Overigens geldt dit meer voor de Europese landen. In de VS bijvoorbeeld wordt sterfte vaak ook veroorzaakt door tekort aan wintervoeding, slechte kwaliteit van de koninginnen en de stress door verre reizen naar gebieden waar bestuiving nodig is. Om de varroa te bestrijden zijn er een aantal chemische en biologische middelen beschikbaar die de sterfte kunnen indammen, mits goed en consequent toegepast. Maar als de varroa al langere tijd in de volken zit dan worden de virussen, die door de varroamijt als vector worden overgebracht, een belangrijke doodsoorzaak en wordt de bestrijding lastiger. En dan kunnen soms grotere aantallen volken het loodje leggen.

Bestuiving door honingbijen

Het is interessant dat in januari 2011 de Rabobank een rapport publiceerde ‘The plight of the honey bee’ (9) waarin het belang van voldoende bijenvolken voor de voedselproductie voor het voetlicht werd gebracht. Een derde van de wereldvoedselproductie is mede afhankelijk van de bestuiving door insecten en daarmee wordt alle aandacht gevraagd voor de instandhouding van de imkerij. Omgerekend is de economische waarde van de insectenbestuiving, inclusief de honingproductie voor Nederland, ongeveer 40 miljard euro. Hierbij moet wel worden aangetekend dat dit een maximaal plaatje is. Ook zonder plaatsing van bijenvolken in bijvoorbeeld een appelboomgaard komen er toch wel appels aan de bomen want er zijn ook andere bestuivende insecten die daar hun werk doen.

Het is de vraag of de afname van de bijenvolken wel zo’n vaart zal lopen zoals ook in het  Rabo-rapport wordt benadrukt. Uit de statistieken van de Europese Commissie van 2009 blijkt dat in Europa  alle lidstaten gezamenlijk 14 miljoen bijenvolken hebben. De gegevens zijn afkomstig van de bijenhoudersorganisaties zelf en ten opzichte van 2002 is het aantal zelfs iets toegenomen. Dus ook al is er voortdurend sterfte van bijenvolken door biologische factoren, waarop al het onderzoek zich nu richt, toch lukt het de bijenhouders door het maken van kunstzwermen, het aantal volken aan het einde van het bijenseizoen weer op peil te krijgen. De situatie is dus wel ernstig, maar minder alarmerend dan men wel veronderstelt.

 

Bijensterfte Figuur 1Aantal bijenvolken neemt toe

Figuur 1 laat op basis van FAO-gegevens(10) van de laatste 50 jaar een overzicht zien van het aantal (kast)volken in drie belangrijke gebieden: Europa (totaal), VS en China, plus het totaal van de wereld. De drie regio’s zijn gekozen omdat juist daar veel bijenvolken voorkomen, en veel informatie bestaat over bestuiving, honingproductie en verlies van bijenvolken. We zien dat in Europa van 1961 tot 1990 het aantal volken redelijk gelijk bleef. Daarna is vooral door de varroa het aantal volken gedaald. Ook de toename van de leeftijd van de imker speelt een rol. In de VS is de laatste 50 jaar het aantal volken gehalveerd en opvallend is dat de daling daar vanaf 2000 minder snel verloopt; vanaf 2006 is het aantal volken ongeveer constant. In China, het grootste bijenland, blijft het aantal volken groeien. Het wordt nu geschat op 8.777.150, inclusief de  3.700.000  A. cerana-volken een Aziatische soort die alleen daar voorkomt. Het totale aantal bijenvolken in de wereld groeide vanaf 1961 tot aan 1990; in de periode van 1990 tot 2000 nam het nauwelijks toe, wat vooral te verklaren is door de invloed van varroa. Maar vanaf 2000 is er weer groei en van  2009 naar 2010 was er mondiaal zelfs een toename met 785.326 volken (1,2%).

Bijensterfte fig 2.Honingproductie, ook per volk, neemt toe

In publicaties over bijenvolken en bestuiving wordt vrijwel nooit over de honingproductie gesproken, terwijl dat toch een belangrijke indicator is voor het aantal volken (zie figuur 2) . De honingproductie groeide de afgelopen 50 jaren sterk en per volk nam de honingproductie enorm toe. De honingproductie per volk steeg in Europa van 13,2 naar 22,4 kg; in de USA van 22,5 naar 29,7; in China van 15,9 naar 45,3 en voor gehele wereld van 15,4 naar 23,3 kg. Voor Nederland wordt geschat dat er in 2009 van de bijna 80.000 bijenvolken 1422 ton honing is geoogst, een gemiddelde opbrengst per volk van 17,8 kg. Dat is duidelijk hoger dan de 10 kg per volk die in de jaren tachtig als een gemiddelde gold. Omdat de consumptie van honing wereldwijd toeneemt, zal de vraag naar honing blijven groeien. De imkers zullen hierop inspelen door meer volken te houden. De prijzen van honing op de wereldmarkt zullen verder stijgen, o.a. door belangrijke ontwikkelingen in Zuid-Amerika, zoals de omschakeling van de teelt van luzerne en witte klaver naar sojateelt voor eiwitproductie en die van mais voor bio-energie.

Bestuiving: markt en prijs

Aanleiding voor dit artikel zijn berichten in de media dat er in de toekomst een tekort aan bestuivingsvolken in de wereld zou ontstaan. Tot nu toe zijn er weinig problemen met de beschikbaarheid van bestuivingsvolken. Voor Nederland bijvoorbeeld is het voor de buitenteelten geen probleem om bijenvolken te huren. De bestuivingsprijs voor buitenteelten anno 2011 was 60 € per 3 weken. Laten we, om een idee te krijgen van de marktwerking bij de bestuiving, eens kijken naar  de situatie bij de amandelteelt in de USA.  Al vele decennia worden met name in Californië, op commerciële basis in het vroege voorjaar bijenvolken voor de bestuiving van de amandelbomen ingezet, 2 miljoen stuks in 2012. Zonder bijen is de vruchtzetting gering en de amandeltelers betalen een hoge prijs voor de gehuurde volken. Door de marktwerking stijgt de bestuivingsprijs per volk nog steeds. In 1995 was deze prijs 30 € en in 2011 was die al 153 €. Ter vergelijking: in 2010 had de gemiddelde honingopbrengst van een bijenvolk in de VS een waarde van 74 € per volk, een groot verschil met de 153 € per volk voor de amandelbestuiving.

Bestuiving door honingbijen en het wereldvoedselvraagstuk  

Ook bestuiving met bijenvolken kan gezien worden als een economische activiteit waarop het marktmechanisme van toepassing is, met de amandel als sprekend voorbeeld. Waar bestuivingspremies stijgen is groei van het aantal bijenvolken te verwachten, ook  in China en andere landen die meer gewassen met bestuivingsbehoefte voor de Europese en Amerikaanse markt zullen gaan verbouwen. De Indische bij, Apis cerana, zal in die landen een grotere rol gaan spelen. De hogere honingproductie per volk die zich de afgelopen vijftig jaar manifesteert, geeft aan dat de volken groter en vitaler zijn geworden hetgeen de bestuivingsarbeid van de bijenvolken zal vergroten. Ook de toegenomen vraag naar honing zorgt voor verdere groei van het aantal volken en als bestuiving net zoveel oplevert als honing zullen de imkers, al of niet tijdelijk, switchen naar bestuiving. Er is weinig reden voor een doemscenario wat betreft het voortbestaan van de honingbij. Dat neemt niet weg dat verder onderzoek naar bijenziekten, bestrijdingsmiddelen en andere serieuze bedreigingen van de bijenhouderij van groot belang blijft. Evenzeer is de vraag belangrijk in hoeverre de locale insectenfauna rond de akkers haar rol bij de bestuiving kan blijven spelen. In dit verband is onderzoek betreffende de verminderde biodiversiteit belangrijk.

Referenties:

1. Carson, R. 1962. Dode Lente. Becht’s uitgeverijmaatschappij n.v. Amsterdam.272 pp.

2. http://www.bijensterfte.nl/en/node/341

3. Scheer, H. van der, 2012. Neonicotinen en honingbijen (1). Bijenhouden 6 (9):18-19.

4. Henry,M. et al., 2012. A common pesticide decreases foraging success and survival in honey bees. 29 maart 2012- 10.1126/Science.1215039.

5. Cresswell,E. and Thompson,H.M. 2012. Comment on “A Common Pesticide

Decreases Foraging Success and Survival in Honey Bees”. Science  337

10.1126/science 1224618 : p 1453b

6. Oliver,R. 2012. Neonicotinoids: Trying to make sense of the science, part 2. American Bee Journal 152 (9):897-904.

7.Kluser, S. 2010; http://www.unep.org/dewa/Portals/67/pdf/Global_Bee_Colony_Disorder_and_Threats_insect_pollinators. pdf 2011. 16 pp.

8. Ratnicks et al. 2010. Clarity on honey bee collapse ? Science 8 january 2010. DOI:10.1126/science.1185563

9. The plight of the honeybee. Rabobank industry note 252-2011. 4pp.

https://www.pressroomrabobank.com/publications/food__agri/rabobank_report_the_plight_of_the_honey_bee.html

10. http://faostat.fao.org/site/573/DesktopDefault.aspx?PageID=573#ancor

 

 

2013 © De Groene Rekenkamer - Website gehost door Vertixo
TopBusiness theme by PandaThemes