———————————————————————————————————

Op deze pagina hebben we de artikelen van de Groene Rekenkamer over straling, radioactiviteit, kernenergie en vergelijkbare onderwerpen bij elkaar gezet.

In de 12-mijlszone langs de kust zou de vis beschermd worden, maar het tegendeel is gebeurd

SANTPOORT – Staatssecretaris Bleker heeft de Tweede Kamer beloofd ´echt werk te gaan maken van de 300 pk problematiek in de kustvisserij´, laat Visserijnieuws op 4 november 2011 zijn lezers weten. Nu heeft dit dossier al een lange voorgeschiedenis die begint eind 80´er jaren van de vorige eeuw. Om de staatssecretaris een handje te helpen, geeft bioloog Dolf Boddeke in een opinieartikel een samenvatting van de ontwikkelingen in deze periode van 25 jaar en een analyse van wat de overheid wel en niet kan doen.

Wij beginnen in 1987 bij een voorstel van het Wetenschappelijk en Technisch Comité voor de Visserij van de Europese Commissie, om de 12 mijlszone te bestemmen als opgroeigebied voor jonge vis en daarvoor visserij zoveel mogelijk uit deze zone te weren.

Er moest natuurlijk een uitzondering worden gemaakt voor de garnalenvisserij die op de kustzone is aangewezen. Daar de garnalenvisserij toen al visvriendelijk was door gebruik van spoelsorteermachines, opvangbassins en zeefnetten, waarvoor ik mij 15 jaar had ingezet, was die uitzondering niet met dit streven in strijd. Een motorvermogen van 120 pk is meer dan genoeg voor de visserij op garnalen, waarvoor een vissnelheid van circa 3 mijl/uur met licht vistuig is vereist. Van een bovengrens van pakweg 150 pk voor vissen in de 12 mijlszone, zouden de garnalenvissers dus geen hinder ondervinden.

Een vissoort die naar verwachting zeer zou profiteren van deze maatregel was de tong. En daar het Nederlandse quotum 80% bedraagt van de TAC (totaal toegestane vangst) voor Noordzeetong, leek dit voor de Nederlandse visserij een uitstekende maatregel. De Nederlandse leden van het Comité waren dan ook krachtige voorstanders van dit voorstel.

Er kwam echter vanuit Brussel geen plan voor de bescherming van ondermaatse vis in de 12 mijlszone, maar een steunprogramma voor ´herstructurering van de kustvisserij, met een bovengrens aan het motorvermogen van 300 pk. Hoewel de Nederlandse vissers de subsidie daarvoor heel graag wilden ontvangen en de scheepswerven de schepen mogelijk nog liever wilden bouwen, was er in Nederland geen enkele belangstelling voor nieuwe schepen met een vermogen van 300 pk. Het was te groot voor een servet (garnaal) en te klein voor het tafellaken (tong). Men ging daarom op grote schaal ‘eurokotters’ bouwen, waarvan het formaat in overeenstemming was met het vermogen van de motor (600 pk of meer) waarmee deze schepen werden uitgerust.

Verontrust over de gang van zaken, belde ik de medewerker van de toenmalige Directie Visserijen op, die de subsidieaanvragen regelde, om hem te waarschuwen. Zijn antwoord was verbijsterend: ,,Boddeke, ik weet het, ik vind het vreselijk en kan er niets tegen doen. En daarom ga ik hier weg. Over twee weken heb ik een andere baan in Leeuwarden!´´

Een rondje langs diverse instanties maakte duidelijk dat iedereen volledig op de hoogte was. Haarfijn werd de bioloog uitgelegd hoe de zwartepiet werd rondgespeeld. Een kamerlid van een grote partij dat ik hierover inlichtte, beloofde ´er in te zullen duiken´, maar kwam nooit meer boven.

Zelfs de EU werd indirect op de hoogte gesteld. De subsidieaanvragen gingen namelijk vergezeld van een officiële verklaring omtrent het motorvermogen. Hierin werd verklaard dat de motor bij een genoemd aantal toeren 300 pk ontwikkelde. Een ongetwijfeld correcte mededeling, maar niet ter zake doende, want het ging natuurlijk niet om het aantal toeren bij 300 pk maar om het vermogen dat de motor ontwikkelde bij een maximaal aantal toeren. Deze belachelijke verklaringen werden door de EU voor zoete koek geslikt. Men was daar kennelijk blij met het succes van dit programma en interesseerde zich totaal niet voor de biologische consequenties.

In de jaren 80 van de vorige eeuw viel, door de sterke toename van het natuurlijk productievermogen van de kustzone dankzij de eutrofiëring, met deze gang van zaken nog wel te leven. Het ‘recruitment’ van diverse belangrijke vissoorten was zeer groot en de vis groeide snel. Maar nu de kustzone weer net zo arm is als vóór 1960, komt de rekening alsnog met interest op tafel. Dit te meer omdat de druk op de kustzone door een voslagen wanbeleid in de afgelopen jaren nog verder is verhoogd.

Zo is de staand want visserij sterk toegenomen. Staand want ( in tegenstelling tot gaand want = sleepnetvisserij) zijn netten die niet bewegen. Zij staan verticaal in het water en de zwemmende vis verwart zich er in. Er werden hiervoor gul vergunningen uitgegeven met een bovengrens voor de lengte aan staandwant die een vergunninghouder mag uitzetten van 25 km, veel meer dan een doorsnee staandwantbootje aan boord kan bergen! Met de hoeveelheid staand want die legaal kan worden uitgezet, kunnen een aantal  muren  parallel aan elkaar van Rottumeroog tot Cadzand worden opgetrokken! Staandwantvisserij met tientallen kilometers net in zee is bepaald niet de groene, kleinschalige activiteit die zo leuk past in het wereldvreemde denken van ngo’s en milieuactivisten, gespeend als ze zijn van kennis van zaken. Grote wijfjestongen die na het paaien in het vroege voorjaar uitgeput zijn, zoeken de strandzone op, om daar gedurende de zomer weer op krachten te komen, dankzij het hogere voedselaanbod langs het strand. Intensieve staandwantvisserij gedurende de zomer die vooral wijfjes vangt, is daarom een eenzijdige aanslag op de paaistand.

Daarnaast is het aantal garnalenvergunningen de afgelopen jaren uitgebreid van het  historische aantal van 200 naar 300. En kunnen naar verluidt nu schepen tot 900 pk in de 12 mijlszone op garnalen vissen. Alsof de garnalenvisserij (die ook vóór 1960 voornamelijk ondermaatse garnalen aanvoerde voor de fabricage van kippenvoer), het al niet moeilijk genoeg heeft.

Mogelijk nog erger is dat het Nederlandse wetenschappelijke onderzoek zich met zijn adviezen tegenwoordig conformeert aan druk van buiten. De tong is al sinds jaar en dag een ‘politiek visje’, zoals de ansjovis in de Golf van Biskaje en de Oostzeekabeljauw. En voor politieke visjes gelden andere wetten dan die van Moeder Natuur. De druk op buitenlandse biologen om de Noordzee tongstand door een roze bril te bezien, was ook vroeger hoog. Dit omdat bij een lage TAC andere landen heel kleine quota overhielden en Nederland, met 80% van de TAC, dan nog redelijk goed weg kwam. Bescherming van de tongstand moest daarom van Nederlandse biologen komen. Dat is niet meer het  geval zoals blijkt uit het laatste rapport van de ICES-werkgroep voor Noordzee en Skagerrak. Het jaar 2011 is het vierde in successie dat de toegestane hoeveelheid tong niet wordt aangevoerd. Het onbenutte deel van de TAC is ieder jaar groter geworden en wordt dit jaar 25% of mogelijk nog meer, een buitengewoon zorgwekkende ontwikkeling. Dit wordt door de ICES-werkgroep toegeschreven aan de afname van het motorvermogen in de Nederlandse kottervisserij, die als maat voor de visserijsterfte van tong wordt gebruikt. De visserijsterfte van tong, zo beweert men, neemt daardoor al jaren af, met een zeer positief TAC-advies voor 2012 als gevolg.

  De werkelijkheid is helaas anders. De staand want visserij draagt niets bij aan het motorvermogen van de kottervloot, maar vangt wel tong. En het motorvermogen van de kottervisserij was in vroeger tijden verdeeld over schol, tong en tarbot. Iedere schipper had zijn voorkeursoort, waarop gericht werd gevist. De twee andere soorten werden wel meegevangen maar als bijvangst. Waren de vangsten naar tevredenheid, dan bleef de schipper gericht vissen op ´zijn´ soort. Dat is nu niet meer het geval.  De populatie van de schol in de Zuidelijke Bocht (Nederlands-Duits-Deens kustgebied) is teruggevallen naar de situatie van vóór 1960 met heel langzame groei van de vis. Er werd daar toen gericht op ondermaatsce schol gevist ten behoeve van eendenfokkerijen. De Nederlandse scholvisserij is nu hoofdzakelijk een aangelegenheid van een gering aantal zeer grote kotters die met twinrigs ( enorm grote sleepnetten) het kleine Nederlandse scholquotum opvissen in de noordwestelijke Noordzee. En de tarbot, die tussen 1965 en 1985 ook sterk profiteerde van de eutrofiëring, is nu vooral bijvangst.

De tong die nu weer veel langzamer groeit dan 25 jaar geleden, krijgt het daardoor niet minder maar extra hard voor zijn kiezen. De samenstelling van de aanvoer laat het duidelijk zien. De lage aanvoer in dit jaar bestaat voor het grootste deel uit de categorieën klein 1 en 2 (slips). In mei-juni (week 18-22) droegen de slips 50 à 60% bij aan de totale aanvoer in kilo’s, in Vlissingen zelfs rond de 75%. Het overschrijden van de minimummaat door een nieuwe jaarklas in de afgelopen herfst (week 39-44) heeft het aandeel van de slips nog verder verhoogd, tot bijna 90% in Vlissingen en 65-80% in andere havens. 

Als de heer Bleker zoals hij zegt, ´echt werk wil gaan maken van de 300 pk problematiek´, wat kan hij dan doen?  Het voor de hand liggende antwoord is natuurlijk om alle schepen die een groter motorvermogen hebben dan 300 pk, of nog liever 150 pk, uit de 12 mijlszone te verbannen. Dat lijkt moeilijk. Want die schepen hebben officieel toestemming gekregen daar te vissen, met ieders medeweten. En de bekende vraag van de slager: mag het een ietsje meer zijn?, is via de verklaringen omtrent het motorvermogen door de Nederlandse overheid in Brussel gesteld, met een stilzwijgend en dus positief antwoord. Dit alles terugdraaien lijkt in strijd met de continuiteit van bestuur. En de staand want vissers hun visrechten ontnemen, zie ik om dezelfde reden ook niet gebeuren.

Een andere mogelijkheid is door het herstellen van het natuurlijke productievermogen van de kustzone door gedoseerde fosfaattoevoeging weer op het peil te brengen van de 70´er jaren. Zodat de overgebleven vissers geen strijd op leven en dood meer behoeven te voeren om de restanten van de eens zo florerende visstand. Op proeven met het toevoegen van fosfaat is onlangs, via een aantal schriftelijke vragen aan de staatssecretaris, aangedrongen door het Tweede Kamerlid mevrouw Karen Gerbrands. Het zou de staatssecretaris sieren de afwijzende en ronduit schandalige antwoorden die namens hem op deze vragen zijn gegeven, aan een nader onderzoek te laten onderwerpen. Voortzetting van het wanbeleid van de afgelopen 25 jaar kan de visserij niet meer verdragen.

Santpoort, 6 december 2011, dr. R. Boddeke

Rond 1975 voer ik als passagier een week met een kotter mee. Als de beide sleepnetten werden geleegd kwam er plm 2 m3 vis op het dek. Het overgrote deel daarvan was jonge vis die - dood - weer terug de zee in ging. Ik heb die gigantische verspilling van jonge vis met verbazing aanschouwd en nooit begrepen.

Dat gemekker met vermogen is natuurlijk onzin. Alleen al hoe het gemeten word. Je moet bij  Vol gas een trekveer aan land uitrekken. Hoeveel J is er nodig om een een bepaalde kracht vol te kunnen houden? Daaruit bereken je het vermogen.

Met Haring is het nog erger, er word op gevist voor het paai seizoen! Doe je het na het paai seizoen, heb je volgend jaar veel meer haring. Haring eet plankton. Garnalen eten plankton, plankton eet bio afval. En wat doen we met ons bio afval? Verbranden. Maak daar korrels van en dump het rond de paaigronden. Lekker veel plankton en er zijn garnalen en vissen zat. Cradle to cradle.

Vermogen wordt uitgedrukt in K/watts en gemeten door een water rem. Koppel maal toeren.

Voor vermogen ken ik alleen de eenheden W, Pk, Hp, VA en J/s. Van K/W heb ik nog nooit gehoord. En is ook niet googlebaar. Is dat Kelvin per Watt?

Meten met een waterrem lijkt me een zinloze actie, omdat je dan ook de weerstand van de boot mee neemt. En je wilt juist het motor vermogen meten.

waarom niet weer wat fosfaat toevoegen aan de wasmiddelen?

Beste Jan,

Dat verhaal over die eindigheid van fosfaat is bangmakerij. Er is nog voor eeuwen voorraad, maar een heel groot deel daarvan moet uit Marokko komen en dat vindt niet iedereen prettig. Maar omdat er bij rioolwaterzuiveringsinstallaties grote hoeveelheden fosfaat worden teruggewonnen (en idem in de veehouderij) zijn er nogal wat mogelijkheden voor recycling. Daar wordt nu wel onderzoek naar verricht, maar de praktische toepassing ervan stelt nog niet veel voor om de simpele reden dat het Marokkaanse fosfaat en dat uit andere landen nog te goedkoop is, vanwege de overvloed. Er is kortom geen reden om dit als een acuut probleem te zien.

Je snier over ‘vast heel goed voor het milieu’ is de typische groene klacht: geen kennis van zaken, maar altijd negatief. Boddeke adviseert die fosfaat toevoeging omdat uit het verleden bekend is dat het goed was voor de vissen. Dat bedoel je toch met ‘het milieu’?

Om te beginnen: een heel mooi artikel van Dr. Boddeke, groot bioloog, groot schrijver.

Met zijn argumentatie om de kustwateren weer wat fosfaatrijker te maken is m.i. niets mis. Maar dan wel graag direct en niet via het binnenwater, want daar hebben we werkelijk niet zulke goede ervaringen mee, al hoor je de laatste tijd klachten van hengelaars die te weinig snoekbaars vangen (dat is dan weer een vis die houdt van vrij troebel water).

Het argument dat fosfaat  een eindige grondstof is, is helaas wel degelijk valide. We moeten hard aan het denken over recycling van fosfaten. Cruciale vraag is hoeveel energie dat kost Wat dat betreft kijk ik met belangstelling naar een preofproject in mijn stad Sneek..

Wat nieuw voor mij was: de enorme schaal waarop er met staand want gevist mag worden. Als dat zo grootschalig mag, zal dat inderdaad niet best ziijn voor de visstand.

Tenslotte: wat Boddeke niet weet over garnalen + bijvangst is de moeite van het weten waarschijnlijk niet waard. Dus zijn pleidooi voor geringere motorvermogens kan maar beter serieus genomen worden. maar ja, de Brusselse bureaucraten herkennen een deskundige helaas niet als ze er een zien.

 

Goed idee we gaan de zee bemesten vast heeel goed vor het millieu….

Bovendien is ook fosfaat een eindige grondstof.

 

We kunnen betwer doen wat we 20 jaar geleden hadden moeten doen.

 

Moetrvermogen verkleinen en stopen met allerlei visserij subsidies

Nieuw commentaar posten

De inhoud van dit veld is privé en zal niet publiekelijk getoond worden.

PUBMED: Een schatkamer aan informatie

Hieronder staan twee blokken ‘Stralingshormese’ en ‘Plutonium en kanker’ met daarin de titels van de meest recente medisch wetenschappelijke publicaties over die beide onderwerpen. Klik op een titel en U komt bij het abstract en kunt U desgewenst stappen ondernemen om het oorspronkelijke artikel te bemachtigen. De lijst wordt eenmaal daags ververst. De gegevens hiervoor zijn afkomstig uit de Amerikaanse (overheids-)databank PubMed die in totaal 21 miljoen van dergelijke referenties bevat, aan alle mogelijk denkbare onderwerpen. Het is een ware schatkamer aan informatie. Onze selectie is uiteraard geinspireerd door de belangstelling van veel van onze lezers, maar het is zeker de moeite waard om zelf eens te gaan spelen met de zoekmachine op dit adres. Voor de blokken hieronder gebruikten we de termen ‘radiation hormesis’ en ‘plutonium cancer’ maar dan zonder de aanhalingstekens.