Zeereservaten

Zeereservaten zullen de natuur en de visserij niet helpen – fosfaatbemesting wel

6 mei 2013

Visserij

Het is natuurlijk een enorm creatieve oplossing: het inrichten van reservaten op de Noordzee. Plekken waar niemand meer mag komen, vooral de visserman niet want die is immers de belangrijkste oorzaak voor het feit dat de Noordzee qua biodiversiteit steeds minder interessant wordt. Verban de vissers en de natuur zal zich herstellen, zo kraaien de vogelaars.

Vergeet het maar, zegt visserijbioloog dr. Dolf Boddeke. De zee is geen biologische woestijn geworden door de visserij maar door een overmaat aan milieumaatregelen. De voedingsbalans in het water is verstoord en alleen extra fosfaat kan de rijkdom weer terugbrengen. Wetenschappelijk is dat onomstreden, maar de politiek offert liever een bedrijfstak op dan de milieubeweging voor het hoofd te stoten. Op verzoek van de Groene Rekenkamer zette Boddeke de feiten op een rijtje.

Kijken wij terug naar de 80er jaren van de vorige eeuw dan is de verslechtering van de situatie in de Nederlandse visserij, met uitzondering van de pelagische trawlervloot, ronduit verbijsterend.

De mechanische kokkelvisserij, goed voor een aanvoer van gemiddeld 65.000 ton per jaar in 1987-1989 ving in de jaren na 2000 nog maar een paar duizend ton en werd in 2004 verboden.

De aanvoer in Yerseke van in Nederland geproduceerde mosselen bereikte in de jaren zeventig en tachtig een niveau van 100-120 miljoen kilo per jaar, in het seizoen Dat had nog veel meer kunnen zijn maar de markt kon nog meer mosselen niet aan. In 2003-2004 was de productie in Nederland nog maar 23 miljoen kilogram en dat is daarna niet verbeterd. Het overgrote deel van de “Zeeuwse Mosselen” wordt tegenwoordig uit het buitenland geïmporteerd.

In de garnalenvisserij is het systeem van “vissen voor de koopman”, dat in de vijftiger jaren de vissers in een economische wurggreep hield, weer terug al heet het nu vissen op contract.   Vooral de Waddenzeevissers hebben het zeer moeilijk. Vissers die zich niet laten knechten en nog via de afslag verkopen, heten tegenwoordig “klokvissers”.

De bloeiende visserij op rondvis, kabeljauw en wijting in de 70er en 80er jaren in het Nederlands-Duitse kustgebied is totaal verdwenen. De Nederlandse vloot van rondviskotters die zich na 1965 begon te ontwikkelen, voerde in 1981-1983 gemiddeld 44.000 ton kabeljauw per jaar aan. In 2005 was dit gezakt tot 1659 ton. Van de rondviskotters, in de beginjaren 80 meer dan honderd schepen, is er in 2008 geen enkele meer over. De aal, was zò talrijk in de 70 en 80er jaren in kustwater en Waddenzee dat ze 4 kilometer uit de kust nog volop aan de hengel te vangen was! Nu is de aal uit kustzone en Waddenzee vrijwel verdwenen en geldt zelfs als een bedreigde diersoort. Ook in het IJsselmeer is de aal sterk achteruitgegaan evenals de spiering.

De visserijsterfte van tong in 2004, zoals geschat door een internationale werkgroep van biologen, was de laagste in bijna veertig jaar! Ondanks dat, werd van het quotum tong in 2005 maar ongeveer 70 % opgevist en ligt er een voorstel de TAC (de totaal toegestane vangst) te verlagen van 18.600 ton in 2005 tot 11.900 ton in 2006, dus 36 % minder. Dit alles wijst er op dat bovengenoemde werkgroep de tongstand eerder sterk heeft overschat.

Voor schol was de internationale aanvoer uit de Noordzee in 1984-1990 gemiddeld 160.000 ton per jaar. In 2005 mocht in de Noordzee nog maar 61.000 ton schol worden gevangen. De geschatte visserijsterfte van schol in 2004 was historisch gezien laag. Toch stelde dezelfde werkgroep voor om de TAC voor schol te verlagen van 61.000 ton in 2005 naar 48.000 ton in 2006.

Alles bij elkaar genomen een sectorbrede catastrofe. Er is ook een lichtpuntje. De bestanden van Noorse kreeftjes in de Noordzee lijken toe te nemen, waarschijnlijk als gevolg van het weer verdwijnen van de kabeljauw uit de zuidelijke Noordzee na 1985. Maar voor de Nederlandse visserij is dit  niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat.

De directe reden voor de achteruitgang van de Nederlandse visserij na 1985 is de sterke vermindering van het natuurlijk productievermogen van de zuid-oostelijke Noordzee, dat in de periode 1960-1980  juist sterk was toegenomen. Na 1960 nam de afvoer door de grote rivieren van fosfaat (de factor die de natuurlijke productie bepaalt) sterk toe om na 1990 weer snel af te nemen. Door fosfaatverwijdering uit het rioolwater in Duitsland en het gebruik van fosfaatvrije wasmiddelen elders. In 1991 voorspelden chemicus Paul Hagel en ik al het onvermijdelijke gevolg van de afgenomen fosfaatlozing, een sterke afname van de natuurlijke productie. De afname is per soort verschillend verlopen maar het uiteindelijke resultaat is nu in zijn volle omvang zichtbaar.

Internationaal accepteerde de wetenschap onze bevindingen direct. Op het World Fisheries Congress in 1992 oogstte ons werk veel waardering. In Nederland ging het veel stroever. In 1997 analyseerde de vakgroep Mariene Biologie van de Universiteit van Groningen ons werk en de onderliggende feiten nog eens grondig. Dit onderzoek bevestigde onze conclusies en gaf het advies om op beperkte schaal fosfaat te lozen om de ernstig verstoorde verhouding tussen fosfor en stikstof in het kustwater te herstellen.

In het kader van EVA 2, de tweede fase van de evaluatie van 10 jaar schelpdierbeleid in Nederland, berekenden Brinkman (Alterra) en Smaal (Rivo) in 2003 het natuurlijk draagvermogen van de Waddenzee voor schelpdieren en constateerden dat dit sterk was afgenomen als gevolg van de verminderde afvoer van fosfaat door de Rijn.

Pas in 2004 analyseerden de Rivo onderzoekers Rijnsdorp, van Keeken en Bolle de veranderingen in de productiviteit van de zuid-oostelijke Noordzee in relatie tot groei, conditie en recruitment van schol en tong. Zij bevestigden voor tong en schol de resultaten van het onderzoek van Paul Hagel en mij uit 1992 wat betreft de negatieve invloed van de afgenomen fosfaatconcentraties op het natuurlijke productievermogen.

Er was in 2004, met ruim tien jaar vertraging, dus ook in Nederland sprake van een brede wetenschappelijke consensus. Waarom is er dan niets gebeurd?  De reden is de verkilling van het politieke klimaat rond de Nederlandse visserij. Traditioneel kon de Nederlandse visserij zich verheugen in de warme belangstelling van publiek en politiek. Zoals wijlen minister Lardinois in 1970 zei: ‘De visserij is economisch van weinig betekenis, politiek is de betekenis van de visserij echter zeer groot’.

Een verandering begon zich af tekenen toen Natuurbeheer in november 1989 van het ministerie van CRM werd doorgeschoven naar Landbouw en Visserij. Daar waren die natuurbeheerders niet blij mee. Zoals Prillewitz, de directeur van deze dienst het uitdrukte: ‘Wij zijn ingedeeld bij de vijand’. Hiermee kreeg echter de milieubeweging annex aan natuurbeheer, een bruggenhoofd binnen het typische vakministerie van L&V. Dit bruggenhoofd werd langzaam maar zeker uitgebreid tot de huidige situatie waarin de milieubeweging via Natuurbeheer een overheersende invloed heeft gekregen binnen het ministerie dat nu LNV heet. Dit koekoeksjong werkt nu de andere vogels uit het nest en met de visserij, de kokkelvisserij voorop is dat al goed gelukt. Het woord Visserij is uit de naam van het ministerie verwijderd. De V staat nu voor Voedselkwaliteit, politiek een begrip zonder inhoud. In ieder ontwikkeld land is voedselkwaliteit een vanzelfsprekendheid, net als schoon drinkwater of veilig over een brug kunnen rijden. De Keuringsdienst voor Waren doet gewoon zijn werk.

Waarom heeft juist de visserij zo’n extreme last van milieufanaten en de door deze lieden gedicteerde politiek? We moeten daarvoor terug in de historie. De milieubeweging heeft een linkse achtergrond. De twee hoofdstromingen in het socialisme, communisten en socialisten zien wij daardoor in de milieubeweging terug zowel qua instelling als methoden.

Voor milieufanaten die even dogmatisch zijn als vroeger de communisten en even gemakkelijk een loopje nemen met de waarheid als dat in hun kraam te pas komt, is de zee een natuurgebied. In natuurgebieden behoort de natuur te regeren. Iedere menselijke invloed is laakbaar en jagen is al helemaal uit den boze. En dus dient in de zee het vissen, dat gelijkgesteld wordt aan jagen, uitgebannen te worden.

De tak van de milieubeweging corresponderend met de ouderwetse socialisten, probeert bestaande situaties te verbeteren. Tot die groep mag ik mijzelf rekenen. Ik was een actief lid van de actiegroep Oosterschelde Open en trad voor deze groep op als officiële woordvoerder.  Niet omdat ik vond dat Zeeland een zeereservaat moest worden, maar omdat de consequenties voor natuur en milieu van de afsluiting zeer ernstig waren. Daarnaast heb ik beroepshalve twintig jaar gewerkt aan het milieuvriendelijk maken van de garnalenvisserij door middel van selectieve netten en diervriendelijke sorteerapparatuur.

Binnen het internationale visserij- en aquacultuuronderzoek werken talloze onderzoekers aan het ontwikkelen van verantwoorde vis- en kweekmethoden. Dit is in overeenstemming met de gang van zaken op het land, waar natuur- en milieubescherming een zaak is van onderhandelen, compromissen sluiten en afwegen van belangen. Rond de visserij is daar in de afgelopen jaren in Nederland geen sprake van geweest en is het beleid en de publiciteit bepaald door de leer die milieufanaten verkondigen.

Wie deze scheiding tussen land en zee gedemonstreerd wil zien, moet het blad Natuurbehoud eens opslaan. Dit blad wordt uitgegeven door Natuurmonumenten, een pragmatisch ingestelde organisatie die natuurterreinen aankoopt en menselijk ingrijpen niet schuwt. Beheer en herstel van natuurgebieden zijn kernactiviteiten van deze vereniging. Prima club, ik ben al 50 jaar lid. Het blad Natuurbehoud doet van de activiteiten van de vereniging zakelijk verslag. Maar wordt door de redactie eens aandacht besteed aan de zee en vooral aan de visserij, dan spelen feiten plotseling geen rol meer.

Zo beweerde Natuurbehoud in juni 2002 dat de vleet, een reusachtige rog uit diep water, in de Noordzee was uitgeroeid door de boomkorvisserij. In werkelijkheid komt de vleet nog gewoon voor in de diepe noordelijke Noordzee en blijft daar, door veranderingen in de visserij, nu meer buiten schot dan vroeger. Slechts sporadisch dringt een vleet door in de ondiepere gebieden in de zuidelijke Noordzee waar met de boomkor wordt gevist.

Greenpeace dat zijn werkterrein voornamelijk op zee heeft, vertoont een sterk dogmatisch karakter en heeft een daaruit voortvloeiende hekel aan het oplossen van problemen in de visserij. Een typerend staaltje daarvan: Op 11 augustus 2005 drong Greenpeace in de pers aan op een verbod van de boomkorvisserij op platvis, wegens de schade aan het zeemilieu die dit vistuig zou veroorzaken. Het betoog stond bol van desinformatie. Boomkorvissers zouden bijvoorbeeld reageren op de afnemende vangsten door steeds grotere netten te gaan gebruiken!

De pulskor van de Zeeuwse firma Verburg ondervangt in hoge mate de milieubezwaren die tegen de boomkor worden aangevoerd en het project was in 2005 al vergevorderd. Men zou zeggen: Greenpeace wordt op zijn wenken bediend. Maar nee, op 26 augustus, dus 15 dagen later, verscheen een negatief gesteld persbericht van Greenpeace over de pulskor. Van hetzelfde gehalte als dat van twee weken eerder. De boomkor en ook de pulskor zouden nu zelfs planten vangen en vernietigen. Om planten in zee te vangen moet je ze eerst overboord gooien. Greenpeace deelt mee zeer bezorgd te zijn over de plannen voor het in gebruik nemen van de pulskor en dringt aan op de instelling van zeereservaten.

Zeereservaten op het Nederlandse continentale plat zijn onzinnig tenzij als een opstapje naar een zee zonder visserij of om de weg vrij te maken voor windmolenparken. En de situering van geplande zeereservaten wijst daar sterk op. Het Nederlandse Continentale Plat is een ondergelopen kustvlakte met een zachte bodem onder sterke invloed van wind, getij en klimaatsfluctuaties. De bodemdieren in een dergelijk instabiel milieu kunnen wel tegen een stootje en/of  planten zich zo snel voort dat verliezen, veroorzaakt door klimaatsinvloeden en visserij, snel worden aangevuld. Het is vooral in dergelijke instabiele kustgebieden dat de boomkorvisserij zich concentreert. Slechts 10% van het totale bodemoppervlak van de Noordzee wordt meer dan een keer per jaar met de boomkor bevist. 70% van de Noordzeebodem wordt nooit met de boomkor bevist.

De argumenten ten gunste van zeereservaten zijn ronduit belachelijk. Wat is bijvoorbeeld de zin van het sluiten van een gebied voor visserij omdat daar in de herfst concentraties voorkomen van zeekoeten, vogels die graag achter vissersschepen fourageren om ondermaatse vis die overboord gaat op te pikken? Of van dolfijnen die overal in de Noordzee rondzwemmen? Doomansduim, een glazig aangroeisel van harde voorwerpen, wordt in dergelijke voorstellen gepresenteerd als “zacht koraal“ een kras staaltje van begripsvervalsing. Haaien en roggen die in die gebieden niet voorkomen moeten daar toch worden beschermd.

De door dergelijke organisaties voorgestelde zeereservaten zijn iets anders dan het instellen van beschermende maatregelen in gebieden waar veel ondermaatse vis voorkomt. De vis trekt  een dergelijk gebied uit als ze de minimummaat begint te bereiken. Dergelijke gebieden, de scholbox en de kabeljauwbox in het Nederlands-Duits-Deense kustgebied bestaan al lang. Zij hebben echter niet het beoogde resultaat gehad door de na 1990 sterk afgenomen eutrofiëring, waardoor deze gebieden hun waarde als kinderkamergebied voor kabeljauw geheel en voor schol grotendeels hebben verloren.

In januari 1997 drong ik bij de heer van Aartsen, de toenmalige minister van LNV aan op een proef met het gedoseerd lozen van fosfaat ter bevordering van een sterke tongjaarklas in dat jaar. We beleefden toen een strenge winter en na een strenge winter wordt meestal een sterke jaarklas tong geboren. Dat voorstel had een groot economisch belang. Een sterke tongjaarklas brengt ruim 500 miljoen euro op en Nederland mag 80% vangen van de jaarlijkse tongvangst in de Noordzee. De geldelijke winst van het slagen van deze proef had dus al gauw honderden miljoenen euro’s kunnen bedragen. Na drie maanden (!) kwam de minister met een afwijzing, onder andere gebaseerd op de volgende overweging:

“Ik acht experimenten met het Noordzee-ecosysteem niet gewenst aangezien het overheidsbeleid ten aanzien van de Noordzee beoogt om verstoring als gevolg van menselijke activiteiten te minimaliseren. Een gedoseerde fosfaat toevoeging is hiermee in strijd”.

De voorgestelde lozing van fosfaat was bedoeld om de balans tussen nitraat en fosfaat, noodzakelijk voor een natuurlijke situatie gedurende het voortplantingsseizoen van de tong, enigermate te herstellen. Mede door de afname van de fosfaatlozing is er in het Nederlandse kustwater nu een groot nitraat overschot dat geheel en al wordt veroorzaakt door menselijke activiteiten, inclusief de aanleg van de Deltawerken. Dit stikstofoverschot is zeer onnatuurlijk. In het mariene milieu is een tekort aan nitraat wereldwijd de regel. Mijn voorstel om geringe hoeveelheden fosfaat te lozen om tijdelijk de balans tussen nitraat en fosfaat te herstellen, was dus niet in strijd maar precies in lijn met het overheidsbeleid. om verstoring van het mariene milieu als gevolg van menselijke activiteiten te minimaliseren. De Minister van LNV was kennelijk zozeer in de ban geraakt van de prediking van milieufanaten, dat hij zijn eigen beleid uit het oog had verloren. De jaarklas 1997 van de tong werd niet meer dan de helft van een ouderwets sterke jaarklas.

Triest is ook dat de politieke ontkenning van de oorzaak van de achteruitgang van de visserij, resulteert in beleid dat niets positiefs oplevert. 10 jaar schelpdierbeleid in de Waddenzee heeft geleid tot een verbod op de mechanische kokkelvisserij, inperking van de mosselcultuur èn een sterke achteruitgang van de schelpdieretende vogels. De sterk verarmde Waddenzee en Oosterschelde worden meer en meer overgenomen door de Japanse oester. Die Japanse oester komt al sinds de jaren dertig van de vorige eeuw in de (Duitse) Waddenzee voor. Oesters zijn biologisch aangepast aan het leven in helder, voedselarm water. in tegenstelling tot mosselen die kenmerkend zijn voor voedselrijk water zoals in estuaria. Oesters filteren het zeewater veel sneller dan mosselen en kunnen daardoor ook uit voedselarm water nog voldoende voedsel peuren om te overleven. De enorme verarming van het ecosysteem van Waddenzee en Oosterschelde na 1990, heeft de Japanse oester de kans geboden deze zeegebieden te veroveren. Herstelplannen voor kabeljauw, schol en paling zijn rituele dansjes op muziek van de milieubeweging.

Een andere consequentie van het negeren van de gigantische milieuverandering die in de Nederlandse kustwateren is opgetreden, is dat op zichzelf goede initiatieven in de lucht komen te hangen, zoals de proeven met het kunstmatig kweken van mosselzaad in Yerseke. De kennis met deze proeven opgedaan zou van grote waarde kunnen zijn in een programma gericht op herstel van de natuurlijke broedval van schelpdieren in de westelijke Waddenzee door het gedoseerd lozen van fosfaat via de Afsluitdijksluizen. Het is echter absurd om te veronderstellen dat met het opkweken van mosselzaad in cultures een basis kan worden geschapen voor commerciële mosselcultuur. Larvencultures zoals die al bestaan voor vis en tropische garnalen zijn kostbare high tech ondernemingen.

Larvenkwekerijen van tropische garnalen leveren een standaard produkt af, postlarven van 3 weken oud. De kostprijs van dergelijke postlarven is in Mexico 4-5 dollar/1000 stuks. Groeit daaruit zonder al te veel sterfte een garnaal van 15 gram, dan brengt zo’n garnaal 7 dollarcent op. De larven kosten dan zo’n 10-15 % van de opbrengst.

Mosselzaad gaat onder natuurlijke omstandigheden niet per stuk maar per scheepslading en de sterfte van zaad op percelen is zeer hoog. Een percentage van 90% wordt daarvoor genoemd. In een kwekerij  hangt een prijskaartje aan ieder zaadje. Een kunstmatig gekweekt mosselzaadje zal zonder twijfel meer kosten dan 0.5 cent en een handelsmossel brengt gemiddeld minder op dan 2 cent. Wie dit allemaal bij elkaar zet, komt tot de conclusie dat zelfs als alles goed gaat de kosten van kunstmatig kweken van mosselzaad een aantal malen hoger worden dan de geldelijke opbrengst van het gehele Nederlandse mosselbedrijf! De invanginstallatie voor mosselzaad waarmee wanhopige mosselkwekers de westelijke Waddenzee nu volhangen omdat hen wordt belet het mosselzaad op te vissen, is een ergerlijke vorm van landschapsvervuiling, zeer kwetsbaar voor stormen en weinig effectief. Tegen het opvangen met mosselkorren van mosselzaad is geen enkel redelijk bezwaar aan te voeren. Mosselzaad zet zich bij voorkeur af op mosselen en heeft dan de beste overlevingskansen. De bankjes mosselzaad die aldus ontstaan, kunnen met een kor schoon worden opgevangen. De bodem wordt amper beroerd. Wat er tussen de mosselen leeft aan vlokreeften en wormen spoelt door de mazen van de kor.

Wil men in Nederland een levensvatbare mosselcultuur behouden dan dient het milieu in de westelijke Waddenzee weer geschikt te worden gemaakt voor mosselen. Daarvan profiteren  schol, tong, aal, kokkels, nonnetjes en schelpdieretende vogels zoals eider, scholekster en kanoetstrandloper dan in hoge mate mee. Nergens heeft de defosfatering zo toegeslagen als in de westelijke Waddenzee. Van het zoete water dat in Nederland in zee stroomt wordt 17% door de Afsluitdijksluizen geloosd maar hier komt maar 3% van het fosfaat naar buiten. Het zeer rijke gebied dat de westelijke Waddenzee was in de jaren 1965-1985, is een woestijnachtige hoek geworden. Alleen als de concentraties van voedingsstoffen in de westelijke Waddenzee weer op een redelijk niveau worden gebracht, heeft mosselcultuur in Nederland een goede toekomst. Nu bestaat de mosselsector vooral uit het onder valse vlag presenteren van importmosselen.

Het huidige beleid voor de kottersector voorziet in het uit de vaart nemen van 50-70 kotters en eurokotters van de vloot op basis van rapporten van de heren Nijpels en Rost en Co. De primitief aandoende redenering hierachter was dat als 18-25% van de vloot verdwijnt er meer quotum beschikbaar komt voor de blijvers die dan weer rendabel zouden kunnen vissen. De platvisvisserij, we hebben het al gezien bij de bespreking van de “zeereservaten“, bevist vooral concentraties van tong en schol op voor deze soorten gunstige plekken. Deze concentraties fluctueren minder dan de totale stand, waardoor de visserij een afgevlakt beeld van de stand van schol en tong te zien geeft. Met een hoger individueel quotum gaat de aanvoer per schip daardoor vooral omhoog als men meer visuren kan gaan maken. De brandstofkosten per visuur blijven dan hetzelfde, slechts de overige kosten per visuur gaan omlaag. Dat levert alleen winst op als de opbrengst per visdag spectaculair zouden toenemen in vergelijking met de huidige situatie waarin per visdag een aanzienlijk verlies wordt geleden vooral door de sterk gestegen prijs van gasolie.

De jaarlijkse TAC’s van 20.000 ton tong waar Rost en Co. van uitgingen, staan mijlenver van de realiteit van nu. Het is traditie dat de Europese ministers in Brussel de TAC van tong hoger vaststellen dan door de biologen is voorgesteld, op basis van politieke overwegingen. Er is niet zozeer gebrek aan quotum als wel gebrek aan tong.

De tong begon al in de vijftiger jaren van de eutrofiëring te profiteren door sneller te gaan groeien. De sterkte van de jaarklassen van tong vertoont een afnemende tendens in de laatste 15 jaar al is deze moeilijk concreet vast te stellen door de positieve invloed van koude winters op het recruitment van de tong. Vast staat echter dat zowel van tong als schol de groeisnelheid en de conditie nu aanzienlijk minder is in vergelijking met de periode 1975-1985.

Het overheidsbeleid ten aanzien van de visserij zou weer gebaseerd moeten worden op een reëele afweging van risico’s, kansen en kosten op basis van kennis en feiten en niet op dolle verzinsels van de milieubeweging. De kennis is er, de feiten spreken voor zichzelf. Zou men de Nederlandse visserijsector willen helpen dan is het, naast het bevorderen van energiezuinige en diervriendelijke vismethoden, noodzakelijk dat het productievermogen van de zuid-oostelijke Noordzee wordt hersteld door een gedoseerde lozing van fosfaat tot bijvoorbeeld het niveau van 1975. Dat verbetert het onnatuurlijke milieu in het kustwater en kan leiden tot een spectaculaire winst in productie en geld.

Dr R. Boddeke,
Santpoort

Bovenstaande tekst is een actualisering dd 26 augustus 2008 van de lezing die Boddeke op 19 november 2005 gaf op een ABNAMRO visserij bijeenkomst in het Zeeuwse Goes.

Dr. Dolf Boddeke

Dr. Dolf Boddeke

In 1994 stond ik op de kade in Den Oever met een medewerker van de Directie Visserijen. Ongevraagd gaf hij mij zijn visie op de toekomst van de mosselcultuur. Ik zei: daar ben ik het volledig mee eens, dat moet je eens naar voren brengen in het openbaar of in Visserijnieuws schrijven. Hij keek mij grijnzend aan en sprak: Ik kijk wel uit, dat is slecht nieuws, daar hebben we Boddeke toch voor. Dit ontwijkgedrag is helaas kenmerkend voor verantwoording dragende personen in en rond de visserij.’

Dolf Boddeke (1934, getrouwd, 2 kinderen) was met 26 jaar de jongste doctor in de biologie ooit aan de Universiteit van Amsterdam. Werkte van 1959-1995 bij het toenmalige RIVO (Rijksinstituut voor Visserijonderzoek), van 1977-1992 als hoofd van de afdeling Biologisch Onderzoek aldaar. Deed 30 jaar onderzoek aan de visserij op en de kweek van garnalen en ontving daarvoor in 1983 in Londen een gouden medaille.

Was van 1979 tot 1992 lid van het Wetenschappelijk en Technisch Comité voor de Visserij van de EC en van 1986-1992 lid van de ACFM (Advisory Committee for Fishery Management) van de ICES).

Schreef honderden wetenschappelijke en populaire artikelen en hoofdstukken in internationale handboeken. Twee boeken, Vissen en Vissen (1971, drie drukken) en De Wereld is een Wonder dat in oktober 2008 is verschenen.

2013 © De Groene Rekenkamer - Website gehost door Vertixo